Liederen

Het M.O.C.C.A. lied

Wij zijn de M.O.C.C.A.nen der Stad van Sint Pieter,
Waarachtige vriendschap verbindt ons tezaam,
Zolang wij student zijn, siert M.O.C.C.A. ons leven
Wij houden bij alles in ere haar naam.

Heil M.O.C.C.A. heil, heil M.O.C.C.A. heil,
Heil M.O.C.C.A., M.O.C.C.A., M.O.C.C.A., heil,
Heil M.O.C.C.A., M.O.C.C.A. heil, heil M.O.C.C.A. heil.

Gij die zijt uitverkoren in M.O.C.C.A. te leven,
Houdt verre de traagheid en weest nimmer lauw!
Benut al uw krachten, weest ruim met uw geven,
Zo zult ge ontvangen. Blijft M.O.C.C.A. steeds trouw!

Heil M.O.C.C.A. heil, heil M.O.C.C.A. heil,
Heil M.O.C.C.A., M.O.C.C.A., M.O.C.C.A., heil,
Heil M.O.C.C.A., M.O.C.C.A. heil, heil M.O.C.C.A. heil.

En slaat eens het scheidsuur, dan gaan we verlaten,
De club die ons lief was in heerlijke tijd
Dan hebben w’in M.O.C.C.A. geleerd hoe te leven:
Geprezen zij M.O.C.C.A. – én nu én altijd!

Heil M.O.C.C.A. heil, heil M.O.C.C.A. heil,
Heil M.O.C.C.A., M.O.C.C.A., M.O.C.C.A., heil,
Heil M.O.C.C.A., M.O.C.C.A. heil, heil M.O.C.C.A. heil.

M.O.C.C.A. Hoog! M.O.C.C.A. Ver! Heil M.O.C.C.A.!

door J.P. Vergouwen, oktober 1912

Zie de lange stoet der kamelen

Zie de lange stoet der kamelen
ploet’ren door het hete zand;
die er bij gaan zitten zijn er velen,
hun gat wordt dan ook flink verbrand.
Ja-ha daar komen z’in gestrekt’ galop
met onze Imam aan de kop.
Ik heb u lief, kamelenstaart!
Ik lust u graag, oh M.O.C.C.A.-taart!

Ja wij allen zijn M.O.C.C.A.-nen,
rustend van de lange reis,
Velen zitten nu fijn te kanen
met voldoende drank en spijs.
Kom ook jij aan de M.O.C.C.A.-poort,
dan is het dit al wat je hoort:
Ik heb u lief, kamelenstaart!
Ik lust u graag, oh M.O.C.C.A.-taart!

Zo and’re mensen ons bedreigen,
maken wij gelijk een vuist.
Grote krachten zullen wij verkrijgen
door de moed die in ons huist.
We meppen er meteen op los
en iedereen is dan de klos.
Ik heb u lief, oh M.O.C.C.A.-taart!
Ik lust u rauw, kamelenstaart!

De pracht der aloude karavaan

Waar de eer der anciënniteit nog honderd jaar behouden blijft
Waar waarheid nu en altijd zegevieren zal
Waar bier, wijn en port allen onophoud’lijk vloeien
En volk met elkander dus vrolijk dronken wordt

Waar recht rechter is dan ‘t elders is
De zon feller schijnt dan z‘elders schijnt
Daar ziet u de pracht onzer aloude karavaan
Waar de Imam zonder strobreed loopt.
‘t KB allerlei beloftes doet
Daar ziet u de stoet der kamelen tegemoet

Wanneer u u voegt bij dit jof’le gezelschap
Moccanen: studenten, dronkaarden en meer
Wanneer u besluit ons illust’re groep te Leiden
te leiden in een jaar waarin u delegeren leert

Wanneer u zich hecht met elk lid bindt
U hun goedmoedigheid van binnen vindt
Dan ziet u de pracht onzer aloude karavaan
Wanneer u de nacht geheel doorhaalt
Uw woorden niet herinn’ren kunt
Dan ziet u de stoet der kamelen tegemoet

Ondankbaar kindje

hey T.A.E.N.I.A.
had je wat dan
jonge man, jonge man, jonge man, jonge man

hey T.A.E.N.I.A.
had je wat dan
jonge man, jonge man, jonge man, jonge man

hey T.A.E.N.I.A.
had je wat dan
jonge man
oh kindje oh kindje, wat ondankbaar ben je toch
ja, je doet wel oud maar wat een puber ben je nog
we hebben je opgericht
dus doe je grote mond maar dicht

hey T.A.E.N.I.A.
had je wat dan
jonge man, jonge man, jonge man, jonge man

oh kindje, oh kindje, ja, toon eens wat respect
ga maar naar je kamer en wel direct
Wij zijn op de borrel, met of zonder jou
je bent soms blind en je mist het geel en blauw
je ziet ons voor je staan
ja wij allen zijn M.O.C.C.A.an

hey T.A.E.N.I.A.
had je wat dan
jonge man, jonge man, jonge man, jonge man

hey T.A.E.N.I.A.
had je wat dan
jonge man, jonge man, jonge man, jonge man